klein lettertype groot lettertype groter lettertype
 Toelichting bij de weersvoorspelling
Minimize

Inleiding en opzet

De Bodemkundige Dienst van België heeft zich de voorbije jaren gespecialiseerd in het opstellen van specifieke verdampingsverwachtingen voor haar irrigatie-advisering. Kwantitatieve cijfers van de diverse weerelementen waren hiervoor noodzakelijk. Het METEOKLIMA-model dat hiervoor ontwikkeld werd gebruikt enerzijds numerieke waarden, afgeleid uit een door het KMI voor Ukkel berekende brutoverwachting voor de middellange termijn en dit op grond van cijfermateriaal, geleverd door de grote Europese weercomputer van Reading. Ze worden door de voorspeller dagelijks getoetst aan geïnterpreteerde weerkaarten, afkomstig van zowel het Europees centrum (ECMWF) als van het Amerikaanse MRF-model (medium range forecast) en desgevallend aangepast en terug doorgerekend in het METEOKLIMA-model van de Bodemkundige Dienst. Vervolgens worden de bekomen voorspellingen geconfronteerd met de klimatologische databank van de Bodemkundige Dienst, die dagelijkse gegevens bevat voor de verschillende weerkundige parameters en dit vanaf 1957. Dit leidt tot een objectieve beoordeling van de voorspelde waarden. Vanuit klimatologisch standpunt onrealistische getalwaarden worden automatisch afgevlakt. Deze benadering verschilt van de klassieke voorspellingen die meestal vaag en kwalitatief zijn. Hetzelfde geldt voor de situering van wat normaal is voor de tijd van het jaar. De oorzaak hiervan is dat de verschillende componenten (met temperatuur, neerslag, zonneschijnduur, windrichting en windkracht als voornaamste) nooit precies voorspelbaar zijn. Bovendien is de ene component beter (nauwkeuriger) voorspelbaar dan de andere. Windrichting of temperatuur zijn bv. veel gemakkelijker voorspelbaar dan neerslagsom of zonneschijnduur. Daarom domineren vage termen zoals "kans op neerslag", "tamelijk koud weer", "hier en daar opklaringen" het weerbericht. Bovendien heeft de voorspeller de neiging de terminologie aan te passen aan het recente verleden: na een warme periode bv. worden "normale" temperaturen vaak als "tamelijk koud" voorgesteld. De beoordeling van maximum- en minimumtemperatuur, alsook van globale straling verwijst steeds naar de overeenkomstige decade (= 10-dagenreeks). Voor de beoordeling werd, op basis van de frequentieverdeling, een indeling in 7 klassen gedefinieerd, waarbij de 5% laagste of hoogste waarden "zeer laag" of "zeer hoog" genoemd worden en de waarden die tussen 35 en 65 % van de gemiddelde decadewaarde liggen "normaal". Voor de overige waarden is de indeling als volgt:

  • laag: de 5 tot 20% laagste waarden t.o.v. de klimatologische reeks
  • tamelijk laag: de 20 tot 35% laagste waarden
  • normaal: 35 tot 65% normaal
  • tamelijk hoog: de 65 tot 80% hoogste waarden
  • hoog: de 80 tot 95% hoogste waarden

Omdat in de lente en de herfst de verschillen tussen het begin en het einde van de maand groot zijn werd een beoordeling t.o.v. de decade noodzakelijk geacht. Gebruik van maandgemiddelden zou immers tot te grote sprongen leiden bij de beoordelingsklassen in de tussenseizoenen. Voor de gemiddelde relatieve vochtigheidsgraad volstaat een beoordeling t.o.v. het maandgemiddelde. Voor andere weertermen, zoals bv. de windkracht, werd voor de indeling de benaming volgens de schaal van Beaufort overgenomen of een meer arbitraire classificatie zoals bv. voor de luchtdruk.

Betrouwbaarheid

Het hier gepresenteerde cijfermateriaal geeft enkel de beste numerieke schatting weer van de belangrijkste weerkundige grootheden met hun overeenstemmende beoordeling op basis van meer dan 35 jaar klimatologische gegevens. Men mag hieruit geenszins besluiten wij ons in staat achten om bv. de temperatuur met succes tot op één tiende graad Celcius nauwkeurig te voorspellen of de zonneschijnduur tot op 1 minuut. Een afwijking t.o.v. de nadien effectief geregistreerde temperatuur van minder den 1,5 graden in positieve of negatieve zin is zeer behoorlijk en is een voorbeeld van een realistische, goede voorspelling. Weerelementen zoals bewolkingsgraad of neerslaghoeveelheid daarentegen zijn moeilijk nauwkeurig te voorspellen. Een afwijking van 20% op de voorspelde bewolking bv. is helaas eerder zelden verbeterbaar, tenzij bij zeer standvastig weer. Een voorspelling is ook zelden volledig juist of verkeerd: per dag worden 12 weerkundige grootheden voorspeld, die elk een al dan niet acceptabele fout vertonen. De absolute fout (verschil meting - voorspelling) bij de middellange-termijnvoorspelling is vaak het gevolg van een nauwkeurigheid in de timing van bv. het doortrekken van een storing. Uit ervaring blijkt dat de weersystemen nogal vaak de neiging hebben sneller te evolueren dan voorspeld (grootte-orde 5,5 keer op 10). Het omgekeerde is veel minder het geval (eerder 1 keer op 10). METEOKLIMA berekent een variabiliteitsindex door de voorspelling van de vorige dag te vergelijken met de actuele voorspelling. Een grote variabiliteit wijst op grote wisselvalligheid in de evolutie van de computermodellen of duidt op grenssituaties. Deze index blijkt dus een eenvoudige ruwe maat voor de verwachte betrouwbaarheid van de voorspelling te zijn. In feite wordt de variabiliteitsindex hier als voorspelling van de betrouwbaarheid geïnterpreteerd. Globaal genomen neemt de betrouwbaarheid van de voorspelling ook af naarmate de verwachtingstermijn toeneemt en dit meer dan de variabiliteitsindex op zich aangeeft. Van voorspellingen van meer dan één week vooruit zijn momenteel enkel de grote algemene trends betrouwbaar en van praktisch nut. Deze experimentele index houdt voorlopig onvoldoende rekening met het hoger vernoemde effect van de verwachtingstermijn op de betrouwbaarheid van de voorspelling. Ook het feit dat de betrouwbaarheid van de voorspelling afneemt wanneer 2 of meer numerieke computermodellen (ECMWF en MRF) tot merkelijk afwijkende weerpatronen komen, is momenteel onvoldoende ingecalculeerd (de zogenaamde Ensemble Prediction System techniek waarbij 50 modelverwachtingen dagelijks worden doorgerekend en vergeleken). De aandachtige lezer kan wel oog hebben voor algemene seizoenale fenomenen die moeilijk voorspelbaar zijn (dus met geringere betrouwbaarheid): de grillige neerslagverdeling in de zomer bij onweerachtig weer en de markante weersverschillen met regen en dooi t.o.v. vorst en sneeuw bij temperaturen rond het vriespunt in de winter zijn twee concrete voorbeelden.

Plaatselijke afwijkingen

De verwachtingen gelden theoretisch voor het centrum van het land en zijn opgemaakt op basis van de klimatologische waarnemingsreeks van Ukkel. Ze zijn nochtans representatief voor gans Vlaanderen mits enig voorbehoud voor de Kuststreek. Wel zal de temperatuur overdag in thermometerhut op een zonnige dag op de Kempense zandgrond doorgaans een tweetal graden hoger worden en ‘s nachts evenveel lager uitvallen. In het Vlaamse binnenland zal de afwijking in vele gevallen in beide richtingen tot één graad beperkt blijven. Zeker bij betrokken of regenachtig weer is dit het geval. Neerslagverschillen binnen Vlaanderen zijn op middellange termijn nooit voorspelbaar. Zelfs op korte termijn is dit nog vaak problematisch. Enkel op klimatologisch-statistische basis kan vastgesteld worden dat er bv. in West-Vlaanderen of in Oost-Brabant op jaarbasis ongeveer 10% minder neerslag dan in Ukkel. Ook verschillen in bewolkingsgraad tussen de (zonnigere) kust en het centrum blijven gemiddeld beneden de 10%. De kuststreek en vooral de strandstreek markeert zich door grotere klimaatsafwijkingen, die bovendien nog sterk fluctueren in functie van het seizoen en het weertype (o.a. naargelang de wind aan- of aflandig is). Naast temperatuur zijn ook windrichting en windkracht, bewolkingsgraad en relatieve vochtigheid in de smalle kuststrook doorgaans flink afwijkend van deze in het binnenland. Nochtans zijn deze verschillen meestal ondergeschikt aan de effecten van het globale weertype, dat door middel van de verschillende karakteristieken uit de tabelvormige voorspelling beschreven wordt.

Specifieke opmerkingen i.v.m. de verschillende weercomponenten

De temperatuur is vrij goed voorspelbaar als een foutenmarge van circa 1,5 graden Celsius in de twee richtingen aanvaard wordt. Het is dan ook het weerselement dat het vaakst in cijfervorm in het weerbericht uitgedrukt wordt, dit in tegenstelling tot bv. neerslag of bewolking.

De neerslagverdeling daarentegen is nooit precies voorspelbaar en is vooral bij buiig weer in de zomermaanden enorm variabel van plaats tot plaats. Vandaar dat, naast een schatting van de gemiddelde hoeveelheid, ook een kansverwachting weergegeven wordt, naast kwalitatieve informatie over het karakter van de neerslag (frontaal, d.w.z. eerder gelijkmatig verdeeld over gans Vlaanderen, of buiig, d.w.z. lokaal en bovendien nog met wisselende intensiteit). Slechts bij zeer stabiel hogedrukweer mag in ons klimaat de neerslagkans voor het ganse land als nagenoeg nihil beschouwd worden. Bij zeer actieve fronten wordt per definitie de neerslagkans op een maximale waarde van 95% begrensd. Onderlinge verschillen in neerslagkansen worden slechts betekenisvol wanneer ze minstens 10% of meer van elkaar verschillen.

Ook de gemiddelde relatieve vochtigheidsgraad, die in % wordt uitgedrukt, is minder goed voorspelbaar dan bijvoorbeeld de temperatuur. De fout bedraagt al snel 5%.

De bewolkingsgraad is weinig precies voorspelbaar en een afwijking van 20% t.o.v. de waarneming is heel courant. De zonneschijnduur wordt op basis van de bewolkingsgraad berekend en is derhalve aan hetzelfde euvel onderhevig. In de berekening van de zonneschijnduur wordt rekening gehouden met de daglengte, die sterk varieert naargelang het seizoen. De daglengte is wel precies gekend en berekenbaar uit astronomische formules. De straling wordt eveneens bekomen door gebruik te maken van wiskundige formules, waarin bewolkingsgraad en seizoensinvloed (met hoogte van de zon boven de horizon en daglengte) doorslaggevende factoren zijn. Een foutieve bewolkingsschatting heeft bijgevolg een slechte stralingsvoorspelling tot gevolg.

De windrichting is meestal goed voorspelbaar en dit voor meerdere dagen in de toekomst omdat deze samenhangt met de positie van de hoogtestroming (straalstroom) en de drukverdeling. Bij zwakke wind of windstil weer is de windrichting m.b.t. het weerpatroon dikwijls van weinig betekenis of is deze zeer veranderlijk. In deze gevallen betekent zuidenwind niet noodzakelijk "warm" en noordenwind niet noodzakelijk "koel" weer. De aangegeven windrichting is de richting vanwaar de wind komt:

N Noordenwind Z Zuidenwind
NNO noord-noordoostenwind ZZW zuid-zuidwestenwind
NO Noordoostenwind ZW Zuidwestenwind
ONO oost-noordoostenwind WZW west-zuidwestenwind
O Oostenwind W Westenwind
OZO oost-zuidoostenwind WNW west-noordwestenwind
ZO Zuidoostenwind NW Noordwestenwind
ZZO zuid-zuidoostenwind NNW noord-noordwestenwind
VAR zeer veranderlijke wind (uiteenlopende richtingen)

 

De windkracht is de gemiddelde verwachte windsnelheid voor een 24-uurperiode (gemiddelde van zowel dag als nacht). De terminologie komt overeen met de indeling volgens de schaal van Beaufort. Gemiddeld bedraagt de windsnelheid 's nachts slechts de helft van overdag. Het gevolg is dat de lezer die overdag de windkracht observeert vaak de indruk zal hebben dat de gemiddelde windsnelheid te laag werd voorspeld. De gemiddelde windverwachting van de 24-uurperiode valt bijna uitsluitend in de categorie "zwakke" of "matig wind". Zelfs bij het doortrekken van een kleine storm kan het gemiddelde, berekend over 24 uur, nog in het bovenste gedeelte van de categorie "matig" vallen. Een storm kenmerkt zich namelijk door korte hevige windstoten en duurt vaak slechts 6 tot 12 uur. In geval de gemiddelde windsnelheid 20 km/u of meer bedraagt kan in de regel van erg windering weer gesproken worden en wordt deze term bij de beoordeling "matig" toegevoegd. De maximale windstoten bedragen als vuistregel zowat het drievoudige van de gemiddelde windsnelheid. Bij een gemiddeld cijfer van 30 km/u is bijgevolg de kans op het voorkomen van windstoten tot 90 km/u reëel. In de rubriek "waarschuwingen" zal het risico op storm vermeld staan. Men moet er zich wel rekenschap van geven dat de verraderlijkste stormen zich snel ontwikkelen en dat zowel hun juiste trekrichting als intensiteit slechts op korte termijn goed voorspelbaar is. Ook belangrijke andere specifieke risico's die niet of onvoldoende elders tot uiting komen, zoals onweerskansen, ijzel, zware windstoten of risico's op overvloedige neerslag, kunnen in deze rubriek vermeld worden. Daar de Bodemkundige Dienst slechts één voorspelling per dag opmaakt en de weersontwikkeling niet uur per uur opvolgt, biedt dit weerbericht de gebruiker niet de garantie dat alle recent voorspelbare waarschuwingen hier vermeld staan. Dit is immers niet de doelstelling van deze voorspelling.

De luchtdruk behoort net zoals de windrichting tot de categorie van de beter voorspelbare weerelementen. De klassegrenzen ‘hoog’, ‘laag’, ‘normaal’ enz. werden voor luchtdruk arbitrair vastgesteld.

Op basis van de verschillende hier voorspelde meteorologische weergrootheden wordt dagelijks een verdampingsverwachting berekend (Et0) volgens de formules van Penman-Monteith. Deze wordt verder aangewend voor zowel intern als commercieel gebruik.

Bezoekers vandaag: 376   Aantal bezoekers momenteel on-line: 40